15-02-11
Voor Carl
Jongen, kerel, rood,
dat is het kleur van je dood.
Had jij geen taal, ik had ze.
Had jij geen tranen, ik wou ze.
Had jij geen rug, ik was ze.
Had jij geen vuist, ik sloeg ze.
En waarom het daarom en
dan nog zo, zo vrij
maar diep tegelijk,
laat het een vraag.
En toch, jongen, kerel, rood,
met jouw gebogen zijde en
wijkende lach wou je
in dit leven een nodige
vogel zijn.
Maar je liet je ontvangen
door die open hemel, rood,
waarin jij nooit geloofde,
waaraan jij zomaar
je lichaam ontsloot.

